| De Duitse strijdkrachten waren er in de jaren 1940 en 1941 niet
in geslaagd Engeland te verslaan en richtten hun blik oostwaarts.
Na het uitvoeren van een aanval op de Sovjet Unie zou de kans op
de zo gevreesde tweefrontenoorlog toenemen. Op 14 december 1941
besloot het Duitse opper-
bevel daarom tot aanleg van een verdedigingslinie
langs de bezette Europese westkust, de ‘Atlantikwall’.
De aanleg
van deze verdedigingslinie vond in de jaren 1942-1944 plaats.
De Atlantikwall was een 2685 kilometer (!!) lange verdedigingslinie en liep van Noorwegen, via Denemarken, Duitsland, Nederland en België naar Frankrijk tot aan de grens met Spanje. De verdedigingslinie (die overigens nooit geheel werd voltooid) bestond uit bunkers, kanonnen, versperringen en mijnenvelden.
De leiding van de werkzaamheden bij de bouw van de Atlantikwall lag bij de Organisation Todt (OT).
Dit was een overheidsorgaan dat de uitvoering
overliet aan de plaatselijke kleine en grote bouwbedrijven, welke onder contract stonden bij
de Organisation Todt.
De Abteilung Siedlung und Bauten, een afdeling van het Rijkscommissariaat Nederland, was ook verantwoordelijk voor
de bouw van enkele bunkercomplexen in Nederland.
Ook Den Haag en Scheveningen ontkwamen niet aan de aanleg van de Atlantikwall. Zo bleef het strand van Scheveningen tijdens de Duitse bezetting aanvankelijk toegankelijk
voor het volk maar door de aanleg van de Atlantikwall werden in het voorjaar van 1942 de duinen en het strand tot verboden gebied (Sperrgebiet) verklaard. Al snel daarna werden 350 woningen in de kuststrook van Duindorp en Scheveningen-Dorp ontruimd en gesloopt. En in oktober 1942 werd een groter deel van Scheveningen met een stuk van westelijk Den Haag ook tot Sperrgebiet verklaard. Zo'n 30.000 huizen werden gesloopt en zo'n 50.000 bomen in bossen en plantsoenen gerooid.
Grootscheepse evacuaties troffen ruim 140.000 inwoners en van de ruim 28.550 woningen in de ‘vesting' werd 90% ontruimd. Veel van de evacuées kwamen in Aalten terecht.
Om een snelle opmars van de geallieerden te verhinderen werd een 5,5 kilometer lange en 27 meter brede tankgracht aangelegd. Deze liep zigzaggend van Kijkduin, langs de Sport-
laan, Segbroeklaan, de huidige President Kennedylaan en Johan de Wittlaan tot aan Zorgvliet. De barricade ging vervolgens verder als een tankmuur en een versperring met lange rijen draketanden richting de Waterpartij (eveneens vergraven tot tankgracht), liep door tot het Kanaal en net voorbij de Plesmanweg maakte deze een knik. Vervolgens liep deze in een rechte lijn langs het al bestaande water bij de Kwekerijweg naar de Van Alkemade-
laan en het duingebied. De lange verdedigingslinie werd de Hauptkampflinie (HKL) genoemd.
In de Hauptkampflinie lagen ook 12 officiële toegangen waarbij een vrije doorgang mogelijk was.
Tevens was alles wat
boven het maaiveld uitstak op last
van bezetter kaalgeslagen waarbij er een egale vlakte onstaan was. Langs de landzijde van
de Hauptkampflinie lag een strook van 600 meter als schootsveld waardoor Scheveningen zowel aan zeezijde als aan landzijde verdedigd kon worden.
De Atlantikwall bestond uit een reeks uit elkaar liggende steunpunten en verschilden in grootte en betekenis. De hoogste status dat een gebied kon krijgen was Festung en werd enkel verleend aan belangrijke strategische punten als rondom grote havens. De op één na hoogste status voor een bepaald verdedigd gebied was Verteidigungsbereich.
Zo kreeg Scheveningen niet de status van Festung maar de status van Stützpunktgruppe en werd dus vanwege de kustplaats en als bestuurlijk en militair centrum als zodanig aangemerkt. In de onmiddellijke omgeving van Stützpunktgruppe Scheveningen lagen een aantal andere belangrijke objecten zoals nabij Loosduinen de Scheinflughafen Ockenburg, in Voorburg het hoofdkwartier van
de Befehlshaber der Waffen-SS in den Niederlanden en in park Overvoorde (Rijswijk) de Luftwaffe Hörch Kompanie.
Na de oorlog trachtte men zoveel mogelijk verdedigingswerken
op
te ruimen. De rijksover-
heid subsidieerde dit 'puinruimen' alleen wanneer het echt nodig was om het normale leven weer te doen hervatten. Waar ze niet echt in de weg stonden bleven bunkers staan omdat opruimen hier niet gesubsidieerd werd. Daarom liggen de voornaamste restanten in natuur-
gebieden. En bovendien kregen door de huisvestingsnood tal van bunkers nuttige functies zoals een onderkomen voor de padvinders of een champignonkwekerij.
Daarnaast was de 'Koude Oorlog' de aanleiding tot een hernieuwde belangstelling van de militaire autoriteiten.
In 1996 plaatsten de Burgemeester en Wethouders van Den Haag 17 afzonderlijke bunkers
en
6 complexen op de Gemeentelijke monumentenlijst. Dit vanwege hun cultuurhistorische waarde
en hun betekenis voor de wetenschap. |